Make your own free website on Tripod.com
Roeien, met een blessurevrije haal maak je het helemaal!
Structuren en bewegingen in de rug

HOME

Inhoudsopgave

In dit hoofdstuk zullen de structuren van de rug besproken worden. De tussenwervelschijf, de belangrijkste spieren die gebruikt worden bij roeien, en de bewegingen die bij roeien gemaakt worden zullen aan bod komen. Tenslotte wordt ook het SI-gewricht behandeld.

De wervelkolom is opgebouwd uit wervels. Aan elke wervel zit een wervelboog met een doornuitsteeksel. Deze kun je voelen op de rug. Klik hier voor een afbeelding van de wervelkolom. De bovenste en onderste gewrichtsuitsteeksels van twee opeenvolgende wervels worden een spondylgewricht genoemd. De wervels zijn onderling verbonden door banden, gewrichten en een tussenwervelschijf.

De tussenwervelschijf bestaat uit een gelatineuze kern (nucleus) en daaromheen een ring van fibro-elastische vezels (annulus). Klik hier voor een afbeelding. De nucleus kun je zien als een soort spons, hij neemt veel vocht op. Ook zonder uitwendige belasting staat hij onder druk. Bij het voorover buigen wordt de kern, de nucleus naar achter gedrongen.

Een gezonde tussenwervelschijf kan grote krachten aan.

De nucleus oefent namelijk een kracht uit op de aangrenzende wervellichamen waardoor de krachten meer regelmatig over de aangrenzende wervellichamen worden verdeeld.

Bij roeien vindt er in de rug bijna geen beweging plaats, de werking van de rug is voornamelijk isometrisch.

De roeier moet zien te voorkomen dat de wervelkolom doorbuigt bij de recover.

Dit doorbuigen wordt in principe voorkomen door:

  • Het op spanning komen van de banden.
  • Het aanspannen van de rugspieren.
  • Door het inschakelen van de buikspieren.

Hierbij komt de stabiliteit van de wervelkolom voornamelijk van de rugspieren. Ontwikkelde rugspieren zijn dan ook van belang bij het voorkomen van rugblessures.

Zowel zijwaartse als voorwaartse kromming hebben een onevenredige drukverdeling tot gevolg. Er ontstaat dan een druk op de voorzijde van de tussenwervelschijf waardoor de nucleus naar achter wordt gedrukt. De kracht die de nucleus op de annulus veroorzaakt hoeft op zich geen hernia te veroorzaken. Hiervoor moet dan al een degeneratie of een scheur in de annulus aanwezig zijn.

 De roeier moet ook zorgen dat hij tijdens de haal niet te vroeg zijn rug inzet. De krachten die dan op de rug werken kunnen anders zo groot worden dat de belasting de belastbaarheid overschrijdt. De roeier moet bovendien zorgen dat hij zijn rug recht houdt tijdens de haal. Dat wil zeggen dat hij vanuit zijn bekken zijn rug beweegt. Bij een rechtop houding is aanzienlijk minder spierkracht nodig voor het stabiliseren van de onderste lendenwervels dan bij een gebogen houding.

Bewegingen tussen twee opeenvolgende wervels in de rug gebeuren in het gewricht dat wordt gevormd tussen deze twee wervels. De beweeglijkheid waarin deze gewrichten kan worden bewogen hangt af van de dikte en van de samendrukbaarheid van de tussenwervelschijven en van het gewrichtskapsel, de banden en de spieren. De richting van de bewegingen wordt voor een groot deel bepaald door de stand van de doornuitsteeksels van de twee wervels die samenkomen in een gewricht. Of de bewegingen ook echt mogelijk zijn, hangt weer af van uitwendige omstandigheden. Twee voorbeelden worden hier genoemd:

  1.  door de dikkere tussenwervelschijven zijn in de hals- en de lendengedeelten van de wervelkolom grotere bewegingsuitslagen mogelijk dan in het borstgedeelte waar de tussenwervelschijven dunner zijn.
  2. de rechtopstaande gewrichtsspleten in het borstgedeelte van de wervelkolom laten vooral rotatie en zijwaartse buiging toe. Een uitwendige omstandigheid, namelijk de aanwezigheid van de ribben, is echter de oorzaak dat zijwaartse buigingen in het borstgedeelte slechts in geringe mate mogelijk zijn.

In de lendenwervelkolom kan men goed naar voren en naar achteren buigen en in geringere mate naar opzij. Naar links of naar rechts draaien is zo goed als niet mogelijk vanwege de gekromde vorm van de gewrichtsvlakken. Ook het kapsel van de gewrichten van het lendengedeelte van de wervelkolom laten deze beweging nauwelijks toe.

Bij boordroeien vindt er naast het doorbuigen ook een rotatie van het bovenlichaam plaats en treedt torsie op in de tussenwervelschijven van met name de borstwervels. Hierdoor neemt de druk in de kern, de nucleus, enorm toe en treden grote trekkrachten in de annulus vezels op. Bij vijftien graden torsie in een tussenwevelschijf zal de hele annulus scheuren. Vijftig procent van de torsiekracht wordt in de tussenwervelschijf zelf opgevangen. De spondyl gewrichten die de rotatie tegengaan vangen de andere vijftig procent op. Een gevaarlijke houding voor de rug is dan ook buiging gevolgd door rotatie, zoals bij boordroeien. Door de buiging worden de spondyl gewrichten namelijk geopend waardoor ze de rotatie niet meer tegen kunnnen gaan.

 

Tot de spieren van de wervelkolom worden die spieren gerekend die hun voornaamste bevestiging hebben aan de wervelkolom. De belangrijkste voor het lendengedeelte zijn:

m. erector spinae: klik hier voor figuur 12, deze spier heeft een lange spiermassa die een duidelijke verhevenheid vormt aan allebei de zijden van de wervelkolom. De spier kan vanaf het lendengedeelte naar boven verdeeld worden in drie, naast elkaar gelegen delen. De drie spieren hebben een gemeenschappelijke oorsprong op onder ander het bekken.

De functie van de spieren aan de achterzijde van de wervelkolom is tweedelig. Ten eerste houden zij, samen met de tussenwervelschijven en de banden tussen de wervels, de eigen vorm van de wervelkolom in stand. Op de tweede plaats kunnen door samentrekkingen van de spieren en spierbundels bewegingen in de wervelkolom tot stand worden gebracht. Spieren die voornamelijk in de lengterichting lopen zullen de wervelkolom achterover kunnen buigen. Spieren die een schuin verloop hebben draaien de wervelkolom. Wanneer de romp voorovergebogen wordt oefent de m. erector spinae een aanspanning aan in de lengterichting als tegenhanger van de zwaartekracht. Bij het terugkomen uit voorovergebogen stand zie je weer een grote activiteit in de m. erector spinae. De lange spierbundels van de m. erector spinae vertonen geen activiteit wanneer een zuiver zijwaartse buiging plaatsvindt in de wervelkolom. Deze beweging wordt voornamelijk uitgevoerd door de achterste vezels van de schuine buikspieren. Alleen wanneer het zijwaartsbuigen gecombineerd wordt met achteroverbuigen, kan activiteit van de m. erector spinae worden aangetoond.

 

De gewrichtsvlakken van het SI-gewricht klik hier voor figuur 13, hebben de vorm van een oorschelp. Het gewricht is omgegeven door een kapsel dat aan de achterzijde versterkt wordt door een band; ligg. sacro-iliaca ventralis. Bewegingen in het SI-gewricht is slechts beperkt mogelijk. De uitslag van bewegingen in het gewricht vertoont geen verschillen tussen mannen en vrouwen, alleen neemt tijden de zwangerschap de beweeglijkheid bij vrouwen toe. Bij het ouder worden wordt de beweeglijkheid minder.

.